Tanken met de eerste ‘gewone’ waterstofauto

De schoonst denkbare vorm van autorijden beleeft vandaag een primeur: de opening van het eerste openbare waterstof-tankstation en presentatie van de eerste twee productieauto’s van Hyundai op Nederlands kenteken.

Waterstof

Elsevier probeerde een paar dagen eerder hoe dat gaat: rijden op waterstof en vervolgens tanken in Rhoon. Het rijden lijkt op rijden in een elektrische auto en dat is zo’n aangepaste Hyuandai ix35 dan ook. Alleen komt de energie niet uit het stopcontact, maar uit een tank gecomprimeerde waterstof plus een brandstofcel die de waterstof omzet in elektriciteit. Rest alleen wat schoon water, dat vrolijk uit de uitlaat spuit als je gas geeft.

Achter het feestje in Rhoon schuilt een gecompliceerde logistieke klus. Het Franse bedrijf Air Liquide bouwde het tankstation als een aftakking van een grote leiding die van Rotterdam naar Antwerpen loopt. Waterstof wordt namelijk al veel gebruikt door oliemaatschappijen. Inmiddels tanken al bussen op waterstof. Het project maakt deel uit van een internationaal samenwerkingsverband tussen Nederland, Denemarken, Zweden en Frankrijk.

Slang

Zo’n Hyundai heeft een actieradius van bijna 600 kilometer, tanken duurt hooguit een paar minuten. Een voordeel ten opzichte van veel huidige elektrische auto’s, die minder ver komen en veel langer moeten laden. Een speciale slang wordt precies sluitend vastgekoppeld aan de auto, omdat waterstof een vluchtig goedje is. Op het display staan ‘kilo’s’, geen liters. De tank staat onder druk van 700 bar. Ter vergelijking: een autoband staat meestal onder 2,4 bar.

Maar de milieubewuste gewone consument moet wel geduld hebben. De Hyundai – dat veertien jaar research en ontwikkeling investeerde – kost nu minstens een ton. De bedoeling is om de productie geleidelijk aan tot 10.000 stuks op te voeren, dan kan ook de prijs omlaag. Rijkswaterstaat least de twee eerste auto’s.

Infrastructuur

Zonder samenwerking met overheden en bedrijven als Air Liquide zou het niet lukken. Om nog niet te spreken van internationale afspraken over regelgeving en een serieus te nemen vraag naar keurmerken voor de veiligheid. Het lonkend perspectief is totale onafhankelijkheid van olieproducerende landen.

Het dilemma blijft vooralsnog: zonder auto’s geen infrastructuur, zonder infrastructuur geen auto’s. In elk geval zijn er nu dus één openbaar station en twee personenauto’s voor rekening van de staat. Als beginnetje.